Mensen inspireren, samenbrengen en impact maken vanuit echte vrijheid: dat is waar ik het allemaal voor doe, en sport en bewegen zijn daarbij vooral het glijmiddel waarmee gesprekken op gang komen die anders nooit gevoerd zouden worden. In een lokaal werkt dat precies hetzelfde als in een gemeente of een vereniging, want ook daar gebeurt er pas iets op het moment dat mensen zich vrij genoeg voelen om te zeggen wat ze werkelijk denken.

Om die reden vraag ik in mijn eerste les nooit wat studenten al weten over sportparticipatie, want daar krijg ik toch alleen antwoorden mee waarvan ze denken dat ik ze wil horen. In plaats daarvan vraag ik wie er ooit is gestopt met een sport, en waarom dat was. Dan is het even stil, en daarna komt alles: de trainer die alleen oog had voor het eerste team, de contributie die thuis niet meer paste, het gevoel dat je er eigenlijk niet bij hoorde omdat iedereen elkaar al kende. Binnen tien minuten zitten we midden in het onderwerp waar mijn hele vak over gaat, zonder dat ik het woord drempel heb hoeven gebruiken, en dat is precies hoe ik als docent sport en samenleving het liefst begin.

Wat doet een docent sport en samenleving?

Een docent sport en samenleving leert studenten hoe sport bijdraagt aan participatie, gezondheid en sociale samenhang, en vooral waar het in de praktijk misgaat. Dat betekent lesgeven over beleid en onderzoek, maar net zo goed over de vereniging die geen vrijwilligers vindt en de groep die nooit komt opdagen bij het beweegaanbod dat speciaal voor hen bedacht is.

Sinds september 2022 doe ik dat aan de Hogeschool van Amsterdam, bij de opleiding Sportkunde, waar ik niet alleen lesgeef maar ook het onderwijs zelf ontwikkel over sportparticipatie, sportbeleid en maatschappelijke impact. Daarnaast ben ik trainer Leefstijl en Communicatie, waar ik met mbo-studenten werk die straks in de bouw terechtkomen en die op het eerste gezicht niets met mijn vakgebied te maken hebben. Toch merk ik keer op keer dat ik in beide zalen hetzelfde gesprek voer, alleen met andere voorbeelden en in een ander tempo.

De uitdaging zit in de groep, niet in de stof

Een presentatie over sportparticipatie in elkaar zetten kan iedereen die zich een middag inleest, en daar zit dus niet de moeilijkheid van dit vak. De moeilijkheid zit erin dat je voor een groep staat die aan het begin weinig weet en die aan het eind moet beschikken over kennis waar ze in hun werk daadwerkelijk iets aan hebben, en dat je die groep daar in een aantal weken naartoe moet zien te krijgen terwijl er van alles doorheen speelt.

Want er zit altijd een groepsproces onder, en dat is minstens zo bepalend voor wat er blijft hangen als de inhoud die ik voorbereid heb. Sommige studenten hebben hun mening al klaar en willen die vooral bevestigd zien, anderen durven pas iets te zeggen als ze zeker weten dat ze niet voor gek staan, en er zit bijna altijd iemand bij die er zit omdat het nu eenmaal moet. Ga ik te snel, dan haken de studenten af die de basis nog missen, ga ik te langzaam dan verlies ik de groep die het allang begrepen heeft, en stel ik op het verkeerde moment een vraag aan iemand die zich net kwetsbaar voelt, dan hoor ik die persoon de rest van de reeks niet meer.

Om die reden begin ik zelden bij de theorie, maar bij iets wat ze zelf hebben meegemaakt, en werk ik van daaruit naar het model toe in plaats van andersom. Een model dat een naam blijkt te zijn voor iets wat je herkent uit je eigen leven, vergeet je namelijk een stuk minder snel dan een model dat je op een dia hebt zien staan.

Van weinig kennis naar kaders waar ze iets aan hebben

Waar het naartoe moet is wat mij betreft niet dat de stof behandeld is, maar dat studenten kaders hebben meegekregen waarmee ze straks een beslissing kunnen nemen op een moment dat ik er niet bij ben. Een toekomstige sportmanager moet over twee jaar in een overleg kunnen uitleggen waarom een buurtinitiatief in dit geval waarschijnlijk beter werkt dan opnieuw een aanbod bij de vereniging neerleggen, en dat lukt alleen als diegene begrijpt waaróm dat zo is en niet alleen dát het zo is.

Die manier van werken is trouwens precies dezelfde als in mijn opdrachten buiten het onderwijs, waar ik ook altijd begin met luisteren naar de mensen om wie het gaat voordat er iets bedacht wordt, en waar ik net zo goed geen dikke rapporten oplever maar concrete stappen die mensen zelf kunnen zetten. Of ik nu voor een groep studenten sta of voor een gemeente die vastloopt, ik ga er van uit dat beweging van binnenuit moet ontstaan en dat mijn rol vooral is om daar ruimte voor te maken.

Dat is ook de reden dat ik het werkveld zoveel mogelijk het onderwijs in haal en studenten in contact breng met organisaties waar deze vraagstukken elke dag op tafel liggen. Wat ik in mijn eigen werk als projectleider en kwartiermaker tegenkom, of dat nu een gemeente is die vastloopt of een vereniging die het niet meer redt met vrijwilligers, gaat de week erna gewoon het lokaal in als casus waar ze zelf mee aan de slag moeten.

Waarom ik verder ga dan de lesstof

Hier wordt het voor mij pas echt interessant, en het is ook het deel van mijn werk waar ik het meeste plezier uit haal. Naast de inhoud zet ik studenten namelijk aan het denken over hun eigen gedrag: hoe kijken ze eigenlijk naar de samenleving, hoe gaan ze om met mensen die andere keuzes maken dan zij, en wat doen ze op het moment dat iemand iets zegt waar ze het hartgrondig mee oneens zijn.

Dat is voor mij geen extraatje bovenop de lesstof maar een wezenlijk onderdeel ervan, omdat ze straks allemaal met mensen gaan werken en je in dat werk meer hebt aan zelfkennis dan aan nog een theoretisch model erbij. Je kunt namelijk alles weten over inclusief sportaanbod en ondertussen de enige in het team zijn die nooit op het idee komt om te vragen wat iemand zelf eigenlijk nodig heeft, en dan schiet al die kennis alsnog zijn doel voorbij.

Studenten vinden dat soms ongemakkelijk, zeker als het gesprek dichter bij henzelf komt dan ze hadden verwacht toen ze binnenkwamen voor een les over sportbeleid. Maar juist die gesprekken zijn de gesprekken waar ze me maanden later nog over aanspreken, terwijl niemand me ooit heeft aangesproken over een geslaagde dia.

Sportmanagers en timmerlieden krijgen bij mij hetzelfde gesprek

Of ik nu voor een zaal met aankomende sportmanagers sta of voor een groep mbo-studenten die over een jaar als timmerman aan het werk gaat, de kern van wat ik wil overbrengen verandert niet, en dat verbaast mensen vaak als ik het vertel. De voorbeelden verschillen natuurlijk enorm, want bij de een gaat het over een vereniging die haar vrijwilligers niet meer vindt en bij de ander over een bouwplaats waar een nieuwe collega de taal nog niet goed spreekt, maar de vraag die eronder ligt is precies dezelfde: hoe ga jij om met iemand die anders is dan jij, en wat zegt jouw eerste reactie eigenlijk over jou.

In mijn werk als kwartiermaker zie ik hetzelfde patroon terug, want ook daar geldt dat je mensen niet bereikt met een goede boodschap maar met een vorm die bij ze past. Dat inzicht heb ik voor een groot deel te danken aan het lesgeven, en het is een van de redenen dat ik die twee kanten van mijn werk niet meer los van elkaar zou willen zien.

Werkvormen, en waarom er gelachen mag worden

Ik werk veel met werkvormen waarin mensen echt iets moeten doen: stellingen waarbij je fysiek een kant van het lokaal moet kiezen, rollenspellen waarin ze een gesprek moeten voeren dat ze liever zouden vermijden, en opdrachten waarvoor ze het gebouw uit moeten om buiten iets uit te zoeken. Dat doe ik niet om de les leuker te maken dan hij is, maar omdat er bij een goede werkvorm niemand achterover kan leunen en omdat mensen die lachen veel eerder zeggen wat ze werkelijk denken.

En dat laatste is uiteindelijk waar het me om gaat, want zolang studenten sociaal wenselijke antwoorden geven kan ik ze nergens naartoe bewegen. Het Mulier Instituut doet onderzoek naar sport en bewegen in Nederland en laat in zijn rapportages al jaren zien dat juist de groepen die het meeste baat zouden hebben bij sport het lastigst te bereiken zijn via het reguliere aanbod, maar dat inzicht overtuigt niemand zolang het van een dia komt. Het landt pas op het moment dat een student zelf bij een vereniging is langsgeweest en met eigen ogen heeft gezien voor wie dat aanbod feitelijk gemaakt is.

Wat ik concreet doe

Naast mijn werk als projectleider en kwartiermaker ben ik sinds september 2022 docent Sportkunde aan de Hogeschool van Amsterdam, waar ik het onderwijs over sportparticipatie, sportbeleid en maatschappelijke impact niet alleen geef maar ook zelf ontwikkel. Daarnaast verzorg ik als trainer Leefstijl en Communicatie trainingsreeksen voor mbo-studenten en voor teams binnen organisaties, en word ik gevraagd voor losse colleges en workshops over sport, participatie en samenleving.

Veelgestelde vragen

Wat doet een docent sport en samenleving?

Een docent sport en samenleving leert studenten hoe sport bijdraagt aan participatie, gezondheid en sociale samenhang, en vooral waar het in de praktijk misgaat. Dat betekent lesgeven over beleid en onderzoek, maar net zo goed over de vereniging die geen vrijwilligers vindt en de groep die nooit komt opdagen bij het beweegaanbod dat speciaal voor hen bedacht is.

Waar geef je les en training?

Ik ben sinds september 2022 docent Sportkunde aan de Hogeschool van Amsterdam, waar ik onderwijs ontwikkel en geef over sportparticipatie, sportbeleid en maatschappelijke impact. Daarnaast ben ik trainer Leefstijl en Communicatie, onder andere voor mbo-studenten in de bouw, waar ik met dezelfde thema’s werk maar met heel andere voorbeelden.

Wat is het verschil tussen lesgeven en training geven?

Bij lesgeven ligt de nadruk op kennis die je uiteindelijk toetst, terwijl het bij training draait om wat iemand dóét op het moment dat een gesprek ongemakkelijk wordt. In mijn werk lopen die twee voortdurend door elkaar heen, omdat kennis over participatie weinig waard is als je niet hebt geleerd om te luisteren naar mensen die anders naar de wereld kijken dan jij.

Kun je ook voor onze opleiding of ons team komen?

Ja, ik verzorg lesreeksen, losse colleges en trainingen over sportparticipatie, maatschappelijke impact van sport en leefstijl en communicatie, voor mbo, hbo en voor teams binnen gemeenten en maatschappelijke organisaties. Ik kijk altijd eerst wie er voor me zitten en bouw de vorm daar omheen, want dezelfde inhoud landt bij een groep timmerlieden nu eenmaal anders dan bij derdejaars sportmanagers.

Zoek je iemand voor je groep?

Als je op zoek bent naar iemand die niet alleen de theorie komt vertellen maar de groep ook echt in beweging krijgt, dan denk ik graag een keer met je mee over wat er nodig is. Of het nu gaat om een enkel college, een reeks van acht weken of een training voor je eigen team, ik begin altijd met de vraag wie er voor me zitten en waar zij in hun werk tegenaan lopen, en pas daarna bepaal ik de vorm.

Neem contact op en vertel me over je groep, dan hoor je snel of ik de juiste persoon ben.

Kim Groen, projectleider en kwartiermaker bij Organize2Move. Docent Sportkunde aan de Hogeschool van Amsterdam sinds september 2022, trainer Leefstijl en Communicatie, en mede-initiatiefnemer van De Handbalclub.