Ik geloof dat beweging altijd leidt tot verbinding en groei, en dat mensen daar zelf ook naar op zoek zijn, ook als ze al jaren niet meer sporten. Wat mij telkens weer opvalt is dat organisaties die iets nieuws willen opzetten vrijwel altijd beginnen bij de vraag wat zij kunnen aanbieden, terwijl de veel interessantere vraag is wat mensen op dit moment tegenhoudt om mee te doen. Die twee vragen lijken op elkaar maar leiden tot totaal verschillende antwoorden, en dat verschil bepaalt in mijn ervaring of een zaal volloopt of halfleeg blijft.
Nieuw sportaanbod opzetten: waar het meestal misgaat
Nieuw sportaanbod opzetten mislukt zelden op het idee zelf, maar op de aanname eronder. De meeste plannen worden gebouwd vanuit wat de organisatie kan leveren, terwijl de doelgroep afhaakt op iets heel anders: een vast tijdstip, een verplichting, of het gevoel dat het niet voor hen bedoeld is. Wie eerst uitzoekt waaróp mensen afhaken, bouwt een aanbod dat wel volloopt.
Waarom ik altijd begin bij de mensen die weg zijn gegaan
Als je wilt weten waarom mensen niet meedoen, moet je niet bij de deelnemers zijn maar bij de afhakers, en dat is precies de groep die zelden bevraagd wordt omdat ze nu eenmaal niet meer op de ledenlijst staan. De mensen die nu wel komen kunnen je alleen vertellen waarom het voor hen werkt, wat waardevol is maar niets zegt over de veel grotere groep die de sportzaal allang niet meer van binnen heeft gezien.
Bij De Handbalclub begon het met een vermoeden dat we net zo goed meteen hadden kunnen omzetten in een aanbod, namelijk dat er vrouwen zijn die zijn gestopt met handbal maar het spel eigenlijk nog missen. In plaats daarvan hebben we dat vermoeden eerst getoetst bij ruim 120 oud-speelsters, en daar kwam iets uit wat we zelf niet hadden bedacht en ook niet hadden kunnen bedenken vanachter een vergadertafel.
Het bleek ze namelijk helemaal niet zozeer om het handballen te gaan. Ze misten vooral de mensen, de sfeer in de kleedkamer en het gevoel ergens bij te horen, en het handbal was daar eerder de aanleiding voor dan het doel. Daarnaast noemden ze bijna allemaal dezelfde drempel, en dat waren niet de contributie of de reisafstand maar de verplichtingen: je moet je binden aan een team, er is een competitie, en als jij er op dinsdagavond niet bent laat je acht anderen in de steek.
Hoe dat inzicht het concept veranderde
Op basis daarvan is er iets gebouwd dat er heel anders uitziet dan een gewone verenigingsactiviteit, want we hebben precies die drempels eruit gehaald in plaats van geprobeerd mensen erover te helpen. Het is een flexibel concept geworden voor vrouwen tussen de 25 en 45 waarbij je komt wanneer het jou uitkomt, waar geen vaste teamindeling is en geen competitie, en waar niemand het erg vindt als je er drie weken niet bent geweest.
Die events zitten inmiddels binnen enkele uren vol, en dat is voor mij het bewijs dat het onderzoek de moeite waard was. Waren we op ons oorspronkelijke idee doorgegaan, dan hadden we vermoedelijk een keurige recreantencompetitie opgezet die halfvol was gebleven, en dan hadden we achteraf geconcludeerd dat er blijkbaar geen behoefte was. Terwijl de behoefte er wel degelijk was, alleen niet in de vorm die wij in gedachten hadden.
Dat patroon zie ik overal terug. Het Mulier Instituut laat in zijn onderzoek naar sport en bewegen in Nederland al jaren zien dat juist de groepen die het meeste baat zouden hebben bij sport het lastigst te bereiken zijn via het reguliere verenigingsaanbod, en dat gaat er wat mij betreft niet over dat die mensen minder gemotiveerd zijn maar over een aanbodvorm die niet bij hun leven past.
Hoe ik het aanpak als ik gevraagd word
Mijn werkwijze is praktijkgericht en doelbewust, wat betekent dat er geen dik rapport uitkomt dat vervolgens in een la belandt maar een concept dat je binnen een paar maanden kunt uitproberen. In grote lijnen komt het neer op vier stappen die in elkaar overlopen.
Ik begin met het scherp krijgen van de vraag achter de vraag, want wat er in een subsidieaanvraag staat en wat een organisatie werkelijk wil bereiken lopen vaker uiteen dan je zou denken. Daarna zoek ik de doelgroep op, en dan het liefst de mensen die zijn afgehaakt of nooit zijn begonnen, omdat daar de bruikbare informatie zit. Vervolgens vertalen we die inzichten naar een vorm die klein genoeg is om binnen enkele weken te testen, zodat je nog kunt bijsturen op het moment dat blijkt dat het net anders moet. En tot slot zorg ik dat er iemand is die het overneemt, want een concept dat alleen draait zolang ik erbij ben is geen concept maar een project.
Bij de ontmoetingsprogramma’s die ik ontwikkelde voor volwassenen die hun sociale netwerk wilden vergroten, werkte hetzelfde principe. Bewegen, spel en ontmoeting stonden centraal, maar de echte ontwerpvraag was niet welke activiteit we zouden kiezen. Die was hoe je zorgt dat iemand die zich onzeker voelt de eerste keer daadwerkelijk de deur uit komt, en dat is een heel ander vraagstuk dat je met een goed programmaboekje niet oplost.
Wat ik concreet lever
Gemeenten, sportbonden, verenigingen en maatschappelijke organisaties vragen mij als projectleider en kwartiermaker op het moment dat er een ambitie ligt om een nieuwe groep te bereiken maar nog geen werkende route daarnaartoe. Ik doe het doelgroeponderzoek, vertaal de uitkomsten naar een concept dat past bij hoe die mensen werkelijk leven, breng de partners bij elkaar die nodig zijn om het te dragen, en draag het geheel over aan iemand binnen de organisatie zodat het blijft draaien als ik weg ben.
Veelgestelde vragen
Waarom loopt nieuw sportaanbod vaak niet vol?
In de meeste gevallen niet omdat het aanbod slecht is, maar omdat het is bedacht vanuit wat de organisatie kan leveren in plaats van vanuit wat de doelgroep tegenhoudt. Wie zich niet aanmeldt heeft daar bijna altijd een concrete reden voor, zoals een vast tijdstip dat botst met het gezin of de verplichting om je aan een team te binden, en die redenen kom je alleen op het spoor door het te vragen.
Hoe onderzoek je wat je doelgroep echt nodig heeft?
Door de mensen te benaderen die ooit zijn afgehaakt in plaats van de mensen die nu nog meedoen, want afhakers weten precies waar het misging terwijl deelnemers vooral kunnen vertellen waarom het voor hén wel werkt. Bij De Handbalclub hebben we ruim 120 oud-speelsters bevraagd voordat er ook maar iets georganiseerd werd, en de uitkomst veranderde het hele concept.
Hoe lang duurt het om nieuw sportaanbod op te zetten?
Van eerste idee tot een eerste echte activiteit is drie tot zes maanden realistisch, waarbij het grootste deel van die tijd in onderzoek en het bouwen van draagvlak zit en niet in de organisatie zelf. Dat voelt traag als je haast hebt, maar het scheelt je een jaar aan half gevulde zalen.
Kan een vereniging dit zelf, of heb je iemand van buiten nodig?
Een vereniging met voldoende tijd en een bestuur dat het aandurft om de eigen aannames ter discussie te stellen kan dit prima zelf, en dat is ook het mooiste scenario. In de praktijk zit de bottleneck meestal in de tijd en in het feit dat het lastig is om je eigen aanbod kritisch te bekijken, en dan helpt iemand van buiten die de vragen stelt die binnen niemand meer stelt.
Loop je hier tegenaan?
Heb je een doelgroep in gedachten die je maar niet bereikt, of een aanbod dat op papier goed in elkaar zit maar in de praktijk niet volloopt, dan denk ik graag een keer met je mee. Vaak levert één gesprek al op dat je weet welke vraag je eigenlijk had moeten stellen.
Neem contact op en vertel me wie je wilt bereiken.
—
Kim Groen, projectleider en kwartiermaker bij Organize2Move. Docent Sportkunde aan de Hogeschool van Amsterdam, trainer Leefstijl en Communicatie en mede-initiatiefnemer van De Handbalclub.
